BCMB

10 vragen aan Suzanne Schotanus en Euphemia Bron

Suzanne Schotanus (l) en Euphemia Bron (r)

“Voor afhankelijke mensen, is een cliëntondersteuner goud waard.”

In deze rubriek stellen we elke maand tien vragen aan een externe professional in het sociale veld, die geregeld contact heeft met cliëntondersteuners. Deze maand vragen we Euphemia Bron en haar collega Suzanne Schotanus van koplopergemeente Meppel het hemd van het lijf.

Naam: Euphemia Bron en Suzanne Schotanus.

Functie: Euphemia en Suzanne zijn beiden consulent sociaal domein bij koplopergemeente Meppel.

1. Leg kort uit wie je bent én wat voor werk je doet.

“Als consulent sociaal domein werk ik nu vijf jaar bij deze mooie gemeente. Hiervoor ben ik werkzaam geweest in het bedrijfsleven”, vertelt Euphemia. “Voor mij was het een lang gekoesterde wens om het sociale vak, waarin ik ben opgeleid, en mijn werkervaring in het bedrijfsleven te combineren. Ik heb mijn droombaan. De nieuwe Wmo, die uit 2015 stamt, past mij. Het gaat erom aanvullend te ondersteunen en de eigen kracht te versterken.”

Suzanne is sinds twee jaar werkzaam als Wmo-consulent bij de gemeente Meppel. “Binnen de Wmo-hulpvragen richt ik mij voornamelijk op zaken met betrekking tot vitaliteit, hulpmiddelen, woningaanpassingen, vervoer, mobiliteit en participatie.”

Euphemia: “Ik heb Suzanne gevraagd deel te nemen aan het interview. Iedere consulent heeft een aandachtsgebied en is daarmee contactpersoon voor binnen en buiten. De vragen, die we als consulenten krijgen, zijn divers. Ook nu nog is het niet altijd duidelijk voor onze klanten, waar ze moeten zijn met welke vraag. Dat geldt ook voor de zorgaanbieders en de eerste lijn.”

2. Wanneer heb je binnen jouw werk te maken met cliëntondersteuning?

“We hebben regelmatig overleggen”, vervolgt Euphemia, “waarbij onafhankelijke cliëntondersteuners aanschuiven. We zijn nu bezig met de beëindigingsbesluiten van maatwerk vanuit de Wmo op grond van een Wlz-toekenning. Tot voor kort kregen wij als gemeente géén melding van een Wlz-toekenning. Dat is nu wel geregeld. Voordat we met het toesturen van de brieven zijn begonnen, hebben we overleg gevoerd met de cliëntondersteuners die kennis hebben van de Wlz. Zij kunnen helpen met het regelen van de zorg uit de Wlz. Het belangrijkste is dat de zorg en ondersteuning wordt gecontinueerd en dat de cliënten zo goed mogelijk worden geholpen. We schrijven dan ook in onze brief, dat er gratis hulp beschikbaar is om de zorg thuis zo goed mogelijk te regelen.

Het is belangrijk dat we elkaar begrijpen in de rol die een ieder heeft. We hebben elkaar nodig. Het is goed dat ze weten wat ik als consulent niet kan en mag doen en wat valt binnen de kaders van de wet. Mijn taak is het nemen van een besluit voor ondersteuning. De zorgaanbieder mag ik opdracht geven tot uitvoering. Ik kan adviseren wat ik denk dat nodig is of wat passend is. Bijvoorbeeld de inzet van persoonlijke verzorging, personenalarmering, de aanvraag voor Wlz of verwijzen naar bijvoorbeeld een vrij toegankelijke dagbesteding. Dit kan ik niet voor de cliënt regelen. Als de cliënt hierbij hulp nodig heeft, dan kan hij zich aanmelden bij de cliëntondersteuners.”

Suzanne zegt dat zij als Wmo-consulent in heel verschillende situaties met cliëntondersteuners te maken heeft. “Soms komt er een melding binnen via een cliëntondersteuner van iemand die een beroep op een voorziening wil doen. Maar ik ben ook wel eens betrokken geweest bij een alleenstaande moeder met een klein netwerk. Die moeder gaf ik toen advies, maar het zat me achteraf toch niet lekker. Ik had een onderbuikgevoel. Ik dacht, zij gaat zelf waarschijnlijk geen actie ondernemen en dan staat ze weer met lege handen. Ik heb haar toen doorverwezen naar een cliëntondersteuner, die haar heel goed heeft geholpen. Al haar vragen zijn beantwoord.”

Euphemia haakt daar op in. “Alles komt aan bod in ons vak. We hebben regelmatig contact met mensen, die hulpvragen hebben, waar we als consulenten geen direct antwoord hebben. Bijvoorbeeld; ‘ik lig op bed en ik heb hulp nodig’, of; ‘een praktijkondersteuner van de huisarts heeft gezegd dat dagbesteding goed zou zijn’.  In zo’n geval is een kort contact nodig om eerst na te gaan of de vraag wel bij de gemeente hoort. Dit soort vragen komen veel voor en kosten veel tijd. Het voelt soms een beetje als over de schutting gooien, of als, wij weten het ook niet, ga maar naar de gemeente. Het kan heel goed zijn dat er wél een antwoord vanuit de Wmo moet komen. We gaan dan een uitgebreid gesprek voeren met de cliënt.

Clientondersteuners kunnen helpen bij het vooraf formuleren van een vraag die door de gemeente wél ingevuld kan worden. Dit helpt ook in het verwerken van de vele vragen, die aan de gemeente worden gesteld en dat worden er ook steeds meer. We hebben niet alleen te maken met uiteenlopende vragen van wandbeugels in het toilet tot en met trapliften, maar ook vragen om begeleiding voor mensen met een psychische beperking. Wat wij persoonlijk ervan vinden, is niet relevant. Wel is belangrijk om dat wat we doen, goed te doen. Het gaat erom mensen verder te helpen. En als ik nee moet zeggen, dat komt ook voor, dan wil ik graag weten, dat iemand wél verder kan.  

Ik laat mensen ‘niet in de steek’. Ik neem de tijd en ruimte om mensen op weg te helpen. Dit is wie ik ben en waar ik voor sta. En daarom deel ik mijn zorgen, mijn onderbuikgevoel, met cliëntondersteuners, zoals Suzanne in de casus van de alleenstaande moeder heeft gedaan.”

3. Wijs je mensen met een complexe zorghulpvraag altijd op het bestaan van cliëntondersteuning? Waarom wel of niet?

“Complexiteit zit hem vaak in tijd om dingen te regelen”, vervolgt Euphemia. “Neem diabetes. Die ziekte wordt gekenmerkt door vaatproblemen en soms onderbeenamputaties. Als dat laatste het geval is, dan volgt er revalidatie, maar daarmee ben je er niet. De woning moet aangepast en er moeten voorzieningen komen. Dat is complex, maar daar heb je geen cliëntondersteuner bij nodig.”

4. Hoe bevalt het contact met cliëntondersteuners? Ervaar je ze ook weleens als een luis in de pels?

“De toegevoegde waarde van een cliëntondersteuner is dat zo iemand een onafhankelijke positie heeft. Als je een vraag aan de gemeente stelt, kan het antwoord ja of nee zijn. Daar zit een afhankelijkheidsrelatie in. Soms blijven we een antwoord schuldig, omdat mensen het beste plaatje laten zien, vaak uit angst voor een afwijzing. Als mensen dat laatste doen, hun beste beentje voortzetten, terwijl ze in feite hulp vragen, dan is het belangrijk dat er onafhankelijke cliëntondersteuners bestaan.

Ik vind het mooi dat ik de cliënt daar dan naartoe kan verwijzen voor hulp bij het vinden van het juiste loket. Een cliëntondersteuner kan uitleggen wat mogelijk is en wat niet kan. Wat mensen van de gemeente mogen verwachten en ook hoe de gemeente werkt. Ik heb een uur of anderhalf uur voor een cliënt beschikbaar voor een eerste gesprek. Dit is een indruk. Een cliëntondersteuner heeft meer tijd voor het contact, kent het verhaal en ziet de mensen meer. Soms zien wij pas na meerdere contacten het complete plaatje.”, aldus Euphemia. “Verder zijn er cliëntondersteuners die ons scherp houden en ook dat is mooi.

Het contact tussen cliëntondersteuner en consulent verloopt meestal prettig en respectvol. Een enkele keer voelt het als ter verantwoording geroepen te worden. Het is voorgekomen dat ik een cliëntondersteuner trof die in de vechtmodus zat. Dat gaat dan van: ’En waarom heb je dit gedaan? En waarom dat?’ Ik houd wel van vechten, maar dan met open vizier. Wat ik dan doe? Dan word ik heel feitelijk. Het gaat er niet om wat ik ervan vind. Het gaat om het delen van inzichten, kennis, kunde en feiten. Als we vinden dat het bemoeizucht wordt en niet helpend in de totale ondersteuning die wordt ingezet én als een gesprek niet helpt, dan dienen we een klacht in. Samenwerken is prima, maar je moet de gemeente niet vertellen wat ze moet doen en al helemaal niet op het matje roepen.”

Suzanne: “Wat heel weinig voorkomt, maar wel eens gebeurt, is dat er een cliëntondersteuner bij een hulpvraag is betrokken, die ook niet weet wat er moet gebeuren. Het is dan belangrijk om weer terug te gaan naar het begin, het vaststellen van de hulpvraag. Zonder hulpvraag kan de Wmo geen advies uitbrengen voor een passende oplossing.”

5. Heb je een voorbeeld van een succesvolle casus, waarbij cliëntondersteuning een rol speelde?

“In het verleden is een melding binnengekomen voor iemand, van wie het cognitief functioneren hard achteruit ging. Er was geen diagnose, maar meerdere instanties - zoals de politie en het ziekenhuis, plus de familie – maakten zich zorgen. Binnen de Wmo konden we op dat moment nagenoeg niets betekenen. Er is een cliëntondersteuner bij betrokken om samen het gesprek aan te gaan met familie. Uiteindelijk is de desbetreffende persoon opgenomen binnen de GGZ. Door samen het gesprek aan te zijn gegaan, is de familie geholpen. Beiden hadden we kennis van verschillende wetten en facetten. Met informatie en verschillende adviezen wist de familie wanneer en waar aan te kunnen kloppen voor ondersteuning”, zegt Suzanne.

6. Hoe vind jij dat cliëntondersteuners zich onderscheiden ten opzichte van andere professionals in het sociale veld?

Euphemia: “Wat een cliëntondersteuner doet, is eigenlijk het oude maatschappelijke werk. Een goede cliëntondersteuner heeft kennis van zaken, is hoogopgeleid. Als een cliënt meer heeft aan een vrijwilliger, die helpt bij het invullen van een formulier, of een ervaringsdeskundige, dan betrekken we die erbij. Ook de werkgroep Mantelzorg in Meppel is belangrijk voor ons.”

7. Wat zou jij eraan kunnen doen om de bekendheid van het bestaan van cliëntondersteuning te vergroten?

“Bij ons is dat niet nodig, aldus Euphemia. “Onder alle Wmo-gerelateerde brieven, die de deur uitgaan, staat dat er altijd hulp in kan worden geroepen van een onafhankelijke cliëntondersteuner. Met daarbij een adressenlijst. Het maakt niet uit of het om een eerste melding, een keukentafelgesprek óf een herindicatiemelding gaat. Dat gebeurt bewust.”

8. Jeanet Kraaij stelde jou de vraag, Euphemia: “Vind je als Wmo-consulent van de gemeente Meppel dat onafhankelijke cliëntondersteuners van toegevoegde waarde zijn? Zo ja, wat is die toegevoegde waarde dan voor jou?

Euphemia: We doen het goed, denken we. Voor een cliënt is het contact met ons erg spannend. Voor hem of haar is er vaak maar één vraag:  ‘krijg ik het wel?’. Ook om die reden raad ik mensen aan om met een begeleider te komen ter ondersteuning. Voor mensen die afhankelijk zijn, is een onafhankelijk cliëntondersteuner goud waard.”

9. Welke externe professional in het sociale veld moeten we hierna interviewen voor deze rubriek?

“Iemand van Per Saldo, de landelijke vereniging van mensen met een chronische ziekte of beperking, die zelf hun zorg en ondersteuning willen kiezen.”

10. Welke vraag wil je stellen?

“Doen we het goed in het werkveld, met zijn allen? Slagen we erin om de zorgvrager goed te ondersteunen? Welke stem kunnen we aan de mensen geven om wie het gaat? Ik denk hier veel over na. Dat komt mede door het boek ‘De nieuwe route’ van Anke Siegers. Zij houdt zich als organisatiepsycholoog en groepsconflictbemiddelaar bezig met het inrichten van een maatschappij waarin samensturing met alle partijen gebruikelijk is. Zij stelt dat het zo niet langer gaat. Punt. Dat we terug moeten naar een betrokken samenleving waarin voor elkaar wordt gezorgd. Terug naar die saamhorigheid. Ik ben het met haar eens en denk dat corona ons hierin kan helpen. Het bekend zijn met schaarste leidt vaak tot grotere creativiteit en bijzondere oplossingen.”

 

 

Publicatie: 18/02/2021Terug naar nieuwsoverzicht